Egmont kamde zijn haar en trachtte aldoende het beven zijner hand tot een minimum te herleiden. Nadat hij de kam terug in het daartoe voorbestemde rekje gelegd had, trok hij zijn broek op, spande de lederen riem aan en zorgde er met een kleine corrigerende beweging van de hand voor dat de kam loodrecht kwam te liggen. Gedecideerd trok hij de deur achter zich dicht en liet daarmee, voor even toch, de zorgen die aan dit huis verbonden zijn achter. Het zien van een corpulent vrouwschap dat zich op de fiets een weg doorheen de stad baande, deed zijn reeds verwarde gedachten onrechtstreeks afdwalen richting perverse fantasieën, dewelke hem normaliter overdag met rust lieten en enkel des avonds, doorgaans na het nuttigen van een bokaal brandy, de kop durfden op te steken. Gekke dingen had hij niet gepland voor vandaag; plannen deed Egmont überhaupt niet meer. De mol die hij in de loop van vorige week levend en wel gevangen had – Egmont kende in zijn bescheiden vriendenkring niemand die ooit een mol levend had kunnen vangen, niemand – was diezelfde ochtend komen te overlijden. Het blinde baasje had Egmont, nadat hij het enkele dagen tevoren met de blote handen in zijn kleine, stilaan ondergraven, stadstuintje gevangen had, in een leeg wijnkistje gevuld met dampende potaarde gedropt. Aanvankelijk was het beestje even aan de oppervlakte blijven liggen, maar enkele uren daarna, toen Egmont niet meer toekeek, had hij zich toch flink ingegraven. De regenwormen die Egmont dagelijks aan het wijnkistje toevertrouwde, bleven nooit lang zichtbaar. Die ochtend echter trof Egmont het fluwelen gravertje aan op zijn rugje, pootjes langszij, bovenop de aarde. Daarmee was Egmonts poging tot het domesticeren van de talpa europaea vergeefs gebleken. Gelukkig, zo bedacht hij zich tijdens het zetten van koffie, had hij nog niemand zijner kennissen verteld over zijn nieuwe huisdier. Anders had hij, nadat zijn mislukte poging tot domesticatie aan het licht zou zijn gekomen, wederom gezichtsverlies geleden in de vriendenkring waar hij willens nillens deel van uitmaakte.
Aldus in overpijnzingen verzonken had Egmont zonder het zelf te beseffen de noodzakelijke boodschappen gedaan. Hij vond zichzelf terug op een bankje in het park, de plastic tassen aan zijn voeten. Hij zette de kraag van zijn mantel recht, ten einde zijn hals te behoeden tegen de striemende wind, en begon de molshopen in het grasperkje te tellen.
Categorized in text
Tags: cats, dogs, food, pet
Ik heb me laten pakken door een mens, een man
van laag allooi, ondanks zijn hoge taal.
Hij stonk van lust en beet mij toe: haal dieper
adem, dieper. Ik was iets wat gevuld moest worden
en urenlang rolde hij zijn stenen naar de top.
Ik wou niet naar mijn zusters horen: die kenden
goden, ik kwam zeker aan de beurt. Ongeduld
verdscheen en gaf me aan een triviale vent.
Het is vergeefs gebeurd. Leeg en nauwelijks verhuld.
Marieke Jonkman (°1963)
Uit: Plejaden (1992)
Categorized in poezie
Tags: gore seks, Marieke Jonkman, Plejaden
“Driesje,” wauwelde oma, “jaja, Driesje, die kolonialen, die waren het wel. Die wisten wel waarover ze ‘t hadden. En tanden! Tanden dat die hadden! Van die grote witte, mastodontachtige dingen. Jaja, was ik blij dat ik collaborateur was in die dagen. Ze zagen het wel aankomen, die pedante slaven. Behalve Emilio, die was anders. Hij wist wat ik voelde – hij voelde me aan. En ik hem. Iets te veel naar de zin van je grootvader – God hebbe zijn ziel. Jaja, je grootvader, dat was pas een klootzak. En tanden! Tanden dat die had! Ik zie hem nog staan grijnzen, in het raamkozijn, turend naar de overkant, alsof hij elk moment wist dat de ijzerwinkel aan de overkant uitgebaat werd door Maria, die geile slet, bah, wat wou ik dat zij een opgezette neger was. Hm, hoe ze daar stond, op de hoek van de straat, huilend bij een dampend kinderlijkje. Ach, Driesje, Edgar Tinel had het niet beter kunnen zingen. Uiteraard niet, want hij was dan ook een componist. Die zingen niet, weet je. Jaja, luister maar naar wat je oude oma zegt. En die geile gevangenisbewaker, die zal ik nooit vergeten – God hebbe zijn ziel. En tanden! Tanden dat die had! Jaja. Dat was me de gevangenisbewaker wel, met zijn gewaagde kinderarbeid. En zijn dikke borsten. Hij zei altijd tegen mij, “Palmyra,” zei hij, “soms wou ik dat ik een vrouw was. Niet zomaar een vrouw maar een vrouw die zelfgezochte verkrachting bij tieners bestrijdt. Of stimuleert… Een van beiden, maakt niet zoveel uit, als ik maar dikke borsten heb.” En godbetert, die had hij. Ik herinner me nog die hele geschiedenis in Gent. En tanden! Tanden dat die had! Jaja, Driesje, oma laat je nu zien hoe het moet. Ze worden zo snel groot, he…”
Gastdocent drs. Lin Eeckhoudt
Categorized in gastdocent and text
Op het zevende uur rustte Vladimir. Zes uur had hij er voor nodig gehad om dat ding ‘n beetje op orde te krijgen. Hij had zich gemoeid in zaken waar hij geen verstand van had, terwijl hij muziek oplegde waar hij wel verstand van had, in de hoop op die manier het verloop van zaken te kunnen beïnvloeden. Naïef, doch goed geprobeerd.
In elk geval raakte hij er min of meer aan uit. Niet dat het hem iets kon schelen. Maar toch, maar toch. Meer dan u ooit zou kunnen vermoeden.
Hij slaapt nu. Zie hem liggen ronken. De rechter broekspijp van zijn blauwe sponsen pyjama zit lichtjes omhooggekruld. Hij houdt een prelude op wat wel eens heftig snurken zou kunnen worden. Op de ooit witte doch ronde tafel op twee of anderhalve meter van hem vandaan staan zes verschillende types glazen. Hij heeft gaarne zijn drank in het gepaste glas. Dat is van hem geweten. Verder niet veel. Een ijsje.
Daar heb je het al. Het snurken waar ik het zo-even over had. Mooi zo. Een rustig ritmisch geronk. Een staccato, doch niet helemaal: behalve puntjes hebben de kwartnoten een plat streepje boven zich. En een glimlach. Het vuile spekvette duvelglas verdwijnt in een schaduw.

Categorized in Vladimir snurkt

Gedrevenheid en passie. Ontegensprekelijk de alfa en de omega van het wielrennen. Dat moet althans Monsieur Chrono gedacht hebben, zijn zeemvelletje van tussen zijnerkleumde billetjes pulkend, toen hij op zijn sterfbed afscheid van dit aardse tranendal nam. “Hier gij, Poupou,” en Raymond kwam gedwee. Poulidor boog zich over het verschrompelde rozijntje dat ooit vijfmaal “La Grande Boucle” won. Aarzelend bracht Raymond zijn oorschelp naar de gekloven lippen van Anquetil, die met veel moeite uitbracht: “En ook nu weer zult ge tweedes worden.”
Gedrevenheid en passie. Na bovenvermeld genretafereel doen deze twee heroïsche waarden onderschrevene eveneens mijmerend denken aan de nijver en vlijt die Dame Blandinia dagelijks tentoon spreidt. Ter illustratie van deze boutade nemen wij, bevooroordeelden, de broeihaard voor nieuwwassen historici: afdeling geschiedenis. De Blandijnse liftschachten beschouwende als metafoor voor het prototype van de tijdslijn, betrappen we er ons zelven op geen Latijn te bezigen en tevens steevast den telefriek op het vijfde te verlaten. Edoch, ge kunt ook uitstappen op het derde, om maar iets te zeggen. Zot gelijk we zijn, namen we de proef op de som. Slechts gewapend met een klein wit broodje groentesla en een Jommekesboek, getiteld “Apen te koop”, dompelden we ons onder in de lethargische smeltkroes die de vakgroep Klassieke rijk is.
En daarin onderscheiden wij slechts als prolegomena van deze universitaire opleiding een baken dezer Spartaanse attitude. Met vlotte dictie verworden hoorcolleges van vier uur – en het betreft hier uren van zestig minuten, rekels! – tot een lust voor alle zintuigen. Daarenboven, slaap- noch hangmatten treft men aan op deze verdieping bedeeld met het hoofdtelwoord “drie”.
Pauze vraagteken? Anquetil had nooit het wiel kunnen houden van deze mannen buiten categorie.
Hamimir
Categorized in studie, text and ugent

Student!
Als gij een dezer weken plots de behoefte op voelt komen een exemplaar uwer syllabi ter hand te nemen, panikeert dan vooral niet. Wij zijn de eerste om het toe te geven: deze drang om te studeren – of dan toch ten minste om enige woorden te onderlijnen – overkomt zelfs ons van tijd tot tijd. Altruïstisch gelijk we zijn, geven we de student, die ondanks alles toch wenst te blokken, hier enige nuttige wenken mede. Beschouwt deze gerust als enen leidraad gedurende de komende blokperiode.
Ten eersten, gooit alras uw fluorescerende stiften weg. Vanaf nu hanteert gij enkel nog de alcoholstift. In plaats van de hoofdtermen in een spuuglelijk geel of groen te schilderen, doorstreept ge alle woorden die van minder belang zijn. Begin met de lidwoorden, vervolg met de adjectieven en rangtelwoorden en blijf zo woorden doorstrepen met een zwarte alcoholstift totdat er per bladzijde nog slechts enkele termen leesbaar blijven. Ge zult zien: de bladspiegel die ge zo bekomt, zal veel vlotter in te studeren zijn.
Secundo, gezond leven en voldoende vitaminen opnemen zijn sowieso belangrijke waarden waar ondergetekenden dagelijks een punt van maken. Edoch, tijdens de blokperiode is dit dubbel zo waar ende belangrijk. Daarom, student, gaat gij in de maand januari dagelijks des middags een broodje in het aquarium smullen en des avonds enen vollen maaltijd in de Brug genieten. Dit dieet is de sleutel tot uw onderscheiding. Vitamientjes gegarandeerd!
Derdes, waarom niet studeren in de leeszaal van de centrale bibliotheek? Neem uw eigen boeken mee! Dat gaat veel sneller en je krijgt er minder rap aids van.
Ten vierde: maak u bovenal nergens zorgen over wanneer het studeren, ondanks deze nuttige tips, toch niet zo vlotten. Waar het namelijk allemaal om draait, is intrinsieke intelligentie. En anders is er nog altijd GIT.
Vijf. Daags – of indien ge het spannend wilt houden: enkele dagen – voor uw examen laat ge ook de zwarte alcoholstift achterwege. Ge houdt dan enkel nog uw syllabus in kwestie en een aansteker ter hand. Een doosje lucifers kunnen we bij wijze van alternatief nog net goedkeuren. Het gaat als volgt. Ge (her)leest een bladzijde en steekt ze daarna in brand. Dit zal u dwingen om in plaats van uw kortetermijngeheugen meteen uw langetermijngeheugen in te schakelen, daar u geen enkele mogelijkheid meer zult hebben om de desbetreffende paginae nog een keer te herhalen. Het bevordert bovendien de sfeer in de grote leeszaal. Knusjes.
Zo, rekels, nu wij ons wederom van onze taak gekweten hebben, kunnen we zelf ook weer met de neus in de boeken verdwijnen. Waar liet ik mijn aansteker? Enneuh, succes!
Vladirubi
Categorized in studie, text and ugent
Vladimir wandelde het Muntplein op zoals hij zijn bed uitstapt: als in een automatisme en niet denkend aan een eventueel volgende stap die genomen dient te worden. Toch merkte hij al snel op dat hij de keuze had tussen drie van de vier groene metalen bankjes die rondom het kleine plein opgesteld waren. Het vierde werd ingenomen door een koppel dat hun Panos-broodje opat. Later zou blijken dat het twee Britten waren. In het midden van dat plein stond nog steeds het beeld van die Margaretha die gestorven was na een val van haar paard. In de momentopname van het beeldhouwwerkje zat ze nog steeds in amazonezit op haar paard, het arme dier uit evenwicht brengende met tien kilogram zachtfluwelen mantels.
Zopas had Vladimir de microfilms even gelaten voor wat ze waren. Vier uur doorheen negentiende-eeuwse kranten zoeven had hem geen goed gedaan. Het duizelde nog wat na terwijl hij, op het kille metaal gezeten, zijn zelfgesmeerde boterhammen vanuit hun aluminiumfoliejasje pulkte. Het papje van brood en beleg in zijn mond spoelde hij naar binnen met een sloot cola, terwijl het hem opviel dat het verrassend kalm was voor een woensdag. De eerste winterkoude van het jaar zal daar niet vreemd aan zijn. En terwijl onze held aldus in de meest triviale overpeinzingen verzonken, zijn lunchpakket naar binnen speelde, kwam een ouder koppel het nog steeds koude en stille pleintje opgeslenterd. De twee kwamen zo stil en traagjes aangewandeld dat Vladimir hen pas opmerkte toen ze reeds halverwege het plein waren. De man scheen omstreeks de vijftig jaar te zijn, de vrouw ergens in de veertig. Beiden waren ze gekleed in een joggingpak en identieke wandelschoenen, hoewel die van de man een rode streep vertoonden en die van de vrouw van een horizontale gele streep voorzien waren. Ondanks hun sportieve kledij kwamen beiden futloos over en leken ze een bizarre mix tussen uitgebluste toeristen en vermoeide sportwandelaars te zijn. De man had een kleine voorsprong op de vrouw, die voorbij de etalage van een interieurwinkel slenterde. Of ze de dure exclusieve meubels bekeek of controleerde hoe ze er zelf uitzag vandaag, was hem niet duidelijk. Ze wandelde uiteindelijk het plein zelf op en ging zitten op de bank rechts van hem. De man, weinig andere mogelijkheden hebbende, ging naast haar zitten. Zo zaten ze daar een aantal minuten zwijgend voor zich uit te staren, terwijl Vladimir zijn laatste boterham opat – het was er een met salami, geloof ik. Hij deed alsof hij de komst van het tweetal niet opgemerkt had, op dezelfde wijze waarop hij de twee Engelssprekenden links van hen al die tijd netjes genegeerd had. De man doorbrak het stilzwijgen met de vraag of de vrouw het niet te koud had. Ze mompelde iets terug en herstelde daarmee de stilzwijgende consensus. Terwijl Vladimir de korst van de laatste boterham op de grond liet vallen, begon het koppel over en weer te mompelen. Wat later hoefde hij geen moeite te doen het gesprek te volgen. Het ging namelijk in crescendo toen de vrouw duidelijk zei: “Niet voor nieuwjaar! Je hebt beloofd niet voor nieuwjaar!” Haar timbre leunde tegen wanhopig huilen aan, maar de man bleef emotieloos voor zich uitstaren, de uitingen van de vrouw naast hem, met hetzelfde mooie trainingspak aan, negerende. Ho maar, daar liet ze het, tot groot plezier van de zijn oren spitsende Vladimir, niet bij.
“Maar ge moogt mij niet laten vallen voor Nieuwjaar. Ge hebt het beloofd!” Eindelijk kwamen de traantjes tevoorschijn. Ook dat deerde de man niet, die al even ontroerd als mijn comateuze oma naar de Britten staarde aan de overkant van het pleintje. Die Britten vroegen zich ondertussen al af van welk vreemd lokaal gebruik ze getuige waren. Het accent van de twee ersatz-wandelaars was alvast niet uit de streek. Dat trof. De vrouw bleef haar wanhoopswoorden herhalen: “Laat mij dan vallen na nieuwjaar. Maar niet ervoor!” De man tot wie dit alles gericht was, blaakte niet bepaald van interesse. Terwijl Vladimir zijn lege blikje in de vuilnisbak smeet en zijn weg naar de bibliotheek hervatte, passeerde hij voorbij het koppel en glimlachte ze beiden vriendelijk toe.
Bovenstaande speelde zich anderhalve maand geleden af. Vladimir wenst bij dezen het koppel alvast een gezellig eindejaar, een feestelijke overgang van oud naar nieuw en een gelukkig 2007 toe. Voor u van ’t zelfde.
Categorized in Vladimir and text