Archive for maart, 2007

Oma laat Driesje zien hoe het moet
maart 12, 2007

“Driesje,” wauwelde oma, “jaja, Driesje, die kolonialen, die waren het wel. Die wisten wel waarover ze ’t hadden. En tanden! Tanden dat die hadden! Van die grote witte, mastodontachtige dingen. Jaja, was ik blij dat ik collaborateur was in die dagen. Ze zagen het wel aankomen, die pedante slaven. Behalve Emilio, die was anders. Hij wist wat ik voelde – hij voelde me aan. En ik hem. Iets te veel naar de zin van je grootvader – God hebbe zijn ziel. Jaja, je grootvader, dat was pas een klootzak. En tanden! Tanden dat die had! Ik zie hem nog staan grijnzen, in het raamkozijn, turend naar de overkant, alsof hij elk moment wist dat de ijzerwinkel aan de overkant uitgebaat werd door Maria, die geile slet, bah, wat wou ik dat zij een opgezette neger was. Hm, hoe ze daar stond, op de hoek van de straat, huilend bij een dampend kinderlijkje. Ach, Driesje, Edgar Tinel had het niet beter kunnen zingen. Uiteraard niet, want hij was dan ook een componist. Die zingen niet, weet je. Jaja, luister maar naar wat je oude oma zegt. En die geile gevangenisbewaker, die zal ik nooit vergeten – God hebbe zijn ziel. En tanden! Tanden dat die had! Jaja. Dat was me de gevangenisbewaker wel, met zijn gewaagde kinderarbeid. En zijn dikke borsten. Hij zei altijd tegen mij, “Palmyra,” zei hij, “soms wou ik dat ik een vrouw was. Niet zomaar een vrouw maar een vrouw die zelfgezochte verkrachting bij tieners bestrijdt. Of stimuleert… Een van beiden, maakt niet zoveel uit, als ik maar dikke borsten heb.” En godbetert, die had hij. Ik herinner me nog die hele geschiedenis in Gent. En tanden! Tanden dat die had! Jaja, Driesje, oma laat je nu zien hoe het moet. Ze worden zo snel groot, he…”

Gastdocent drs. Lin Eeckhoudt

flessengeluk
maart 2, 2007

Eenmaal je aan de bodem komt, is het ook maar teleurstellend. Desalniettemin was een nooddoop echt wel aan de orde van de dag. Terwijl ik de wijwaterspuit bij haar inbracht, dacht ik eraan dat we elkaar zes jaar geleden voor het eerst ontmoet hadden. Ze gooide toen het klokhuis van haar appel op spoor vier terwijl ze het perron afsnelde. Het publiek wou applaudiseren doch werd door haar preventief het zwijgen opgelegd. De afluisterapparatuur trok ik krachtdadig doorheen het kurk van de fles. Ondrinkbaar, zou ze gezegd hebben. Maar de volgende dag nam ze de eerste trein om niet meer terug te komen. Ik wandelde – mijn jas hing open – over het plein naar een koperen blad dat van een grote koperen boom in de omgeving moest gevallen zijn. Ik zag de boom niet, maar vond dat geen reden om mijn bewering aan te passen. En er was niemand bij me in de buurt, dus waarom zou ik.

Mevrouw, zo sprak ik, als u nu de keuze had tussen product Y dat goedkoper is maar van mindere kwaliteit en product Ygerick dat duust keer beter is van kwaliteit maar toch ietsje duurder uitvalt, hetwelk zou u, in de hoedanigheid van plichtsbewuste en aan budgetcontrole onderhevige huisvrouw, dan kiezen? De vrouw en sprak niet, doch vloog op. Tot hoog tegen het plafond, deed even alsof ze rechtstreeks uit een nummer van De Kift kwam, en daalde toen weer neder. Ze trok haar nieuwe schoenen uit, plaatste ze ordentelijk naast de open haard, alwaar ze diezelfde nacht nog zouden smelten.

Ik schonk de ochtend daarop geen versgeperst fruitsap in, doch strikte mijn veters en ging stappen. For the sake of it. Sake, ook best lekker, als hij een weinig opgewarmd is en in die tradisjonele kruikjes geserveerd wordt. Met een washandje erbij. Gaarne.

Waarom ook niet, antwoordde ik, en sloeg de glazenset van suikerglas op mijn voorhoofd stuk. Stuk voor stuk. Ik betaalde 3,5 euro voor de sessie en ging zitten. Luisteren. Naar het hoe en waarom van de onderneming. Ze zijn zoals die kwartnoten met streepjes erboven die toch staccato gespeeld moeten worden. Puntstreepjes. Verhaal me er niet over. Vertel me liever van die keer dat de cordon blue aanbrandde en de frituur reeds gesloten was. Het dekzeil van de oplegger schoof open en daar stond ik, met een ontstemde gitaar in mijn handen, op een onbekend dorpsplein. Tientallen verdwaasde gezichten keken mijn al even verdwaasde gezicht aan, ogen puilden omhoog uit oogkassen, maar als bij wonder begon ik te spelen, zonder erbij na te denken, de ene riff na de andere, net zoals hier de woorden gebraakt worden, met de vinger in m’n keel.