Franco Saint de Bakker deed zijn bestje in de Vooruit

januari 26, 2007 - Leave a Response

 

Franco Saint de Bakker SoundsBrown.com

Dat de Vlaamse Geschiedkundige Kring steevast een voorvechter is in de culturele ontvoogdingsstrijd van de Gentsche geschiedenisstudent hoeft, met het oog op de afgelopen cultuuractiviteiten van dit eerste semester, geen betoog meer. Op de dag van de heilige Sint troonde het cultuurduo ons mee naar de Balzaal van de Vooruit die, just for the occasion, als jazzclub fungeert. Vorig jaar kon jazzminnend VGK nog genieten van de intussen naar New York getrokken Robin Verheyen met zijn Narcissus Quartet. Deze keer programmeerden de Jazz Lab Series de jonge leeuwen van Franco Saint de Bakker. Nee, geen man met lange baard, maar een septet bestaande uit muzikanten en waarvan de groepsnaam voorwaar een amalgaam is van de namen van verschillende groepsleden.

Deze heren en dames houden zich normaliter eerder op de achtergrond bij groepen zoals Zita Swoon, Novastar, Flip Kowlier en Dead Man Ray, maar leven zich voor de gelegenheid uit op jazzstandards en houden daarbij geen heilig huisje heel. De set bleek evenwel doorspekt van eigen werk, terug te vinden op de twee cd’s die dit combo bij Heavenhotel uitbracht.

De zeven instrumentalisten openden hun set in de Vooruit stevig, maar konden bij nader inzien de verwachtingen niet inlossen. Hoewel ze enkele standards op creatieve wijze heftig dooreen schudden, bleef het al te vaak bij de vlakte. Voor een groep die zichzelf “speels provocerend” en “grensverleggend” noemt, was dit ergens toch teleurstellend. Het waren voornamelijk de blazers die hier wat te licht uitvielen. De trompet van Sigrid van Rosendaal mag dan geloofd worden voor haar zachte zoete klank, tijdens deze gig klonk ze steevast te stil, te braaf en iets te laag in de intonatie van de groep. Bovendien stond ze erbij alsof iemand haar het podium opgeduwd had en ze er zo snel mogelijk weer weg wilde. Dat vindt ondergetekende niet okidoki. Klarinettiste Saar Van De Leest bleef dan weer grotendeels onhoorbaar. En we willen hier niet vrouwonvriendelijk overkomen, maar het waren de dames die het spel lieten slabakken. De interactie tussen de muzikanten liet ook te wensen over. Enkelen hielden constant frontman Elko Blijweert in de gaten om hun inzetten zeker niet te missen en vrijheid in solo’s of improvisaties bleef volledig zoek. Het geheel klonk dus te gerepeteerd. Zelfs hun cover van QOTSA’s No One Knows, stilaan een culthit, waarbij de vocals door de ‘gorgelmachine’ gehaald werden, kon niet echt boeien. Wat eveneens stoorde was een constant achtergrondgezoem door een openstaande microfoon, of dergelijke. Daarnaast mocht de pianist zich wel even de moeite getroost hebben de spuuglelijke beschermhoes van de vleugel te halen. Het oog wil ook wat.

Maar goed, terug naar de muziek, want er waren weldegelijk heerlijke momenten waarbij de groep loskwam van de nootjes en er lekker tegenaan ging. Een daarvan was een cover van een nummer van de Braziliaanse gitarist Baden Powell waarbij de melodie klonk als een losgebroken carrousel op de foor doorspekt met computerspelletjesmuziekeffecten. Persoonlijk hoogtepuntje was een gemuteerde versie van Django Reinhardts Flèche d’Or. Ook Tang van Duke Ellington moest er even later aan geloven.Rudy Trouvé Dirk Vervaet

Sterkhouders doorheen de ganse set waren frontman en inspirerend gitarist Elko Blijweert, drummer Karel De Backer en pianist Joris Caluwaerts. Wanneer zij samen met de bassist enkele nummers alleen brachten, was het dan ook best genieten.

Rudy Trouvé, gekend van dEUS, Dead Man Ray en van de wallen onder zijn ogen, was special guest van dienst. Dat beperkte zich echter voornamelijk tot wat gestoei in zijn elektronische speeltuin: wijnglazen over microfoons en dies meer. Voor In ruins van Kiss My Jazz nam hij echter zelf de microfoon ter hand en dit keer voor traditioneel gebruik: om in te zingen. Tweede hoogtepuntje van de avond voorwaar. De ‘abstracte vocals’ van gastvocalist Tim Van Der Poel gingen aan uw dienaar en andere VGK-kinderen voorbij. In het laatste bisnummer nam heer Trouvé zelf de gitaar ter hand. De intensiteit die toen uit de muziek voortvloeide hadden we graag wat meer willen ervaren in het voorafgaande uur.

Om kort te gaan, lieve kijkbuiskindertjes, een eclectische set – van tekenfilmmuziekjes tot rustige ballads – met evenveel hoogte- als dieptepunten.

franco saint de bakker

Meer horen?

[Foto’s: Dirk Vervaet en SoundsBrown.com]

Probatio Pennae

januari 26, 2007 - Leave a Response

En dat ik er geen idee van had, hoe moeilijk het is om op correcte wijze de triangel te bespelen. Ik beken, maar het lijkt me toch een uitgelezen kans om de perfecte slagtechniek te verwerven. Toch was het altijd al grappig om de percussionist achteraan rechts van het orkest in de gaten te houden, wachtend op een stoeltje, de maten aftellend tot die ene te geven triangelslag in een muziekstuk van om en bij het kwartier.

Een pot ravioli is ook geen rechtspersoon, beste Hugo. En hoewel ik daags tevoren de houten plankenvloer volledig uitgebroken had, kon ik het nog steeds niet vinden met mezelf.

Tuc-koekjes. Of hoeveel er in één keer in mijn mond zouden passen. Het bleken er vijf te zijn. En of het smaakte!

Surplusextractie

januari 26, 2007 - Leave a Response

Ledigheid. Het is me wat. Ik staarde exact zeven minuten naar de opspattende regen en besefte dan pas dat het nog weken dergelijk weer kon blijven. Wat zeg ik? Maanden! Mensen denken altijd dat ze mooi weer verdienen. Het enige wat de mensen die ik ken verdienen, is weer als dit. Gutsende regen. Met bakken. Oude wijven. Iets met pijpen en stelen. Mijn bank stuurde mij gisteren een nieuwe bankkaart toe. Dat mag. Ik krijg namelijk gaarne post en al zeker van financiële instellingen. Tijdens het zoeken naar wat ondertussen mijn oude bankkaart geworden was, stootte ik een mijner mondstukken omver. De oude kaart had ik pas sinds begin vorig jaar, nadat de vorige ongevraagd ingeslikt werd aan de automaat aan de Kouter. Els stond erbij en keek ernaar. Waarom hing er geen klever met het nummer van Cardstop aan die automaat? Maar goed, m’n andere bankkaart is nog geenszins versleten, sturen ze me, ongevraagd – neem keer nota – een nieuwe op. Fantastisch toch. De dag daarvoor was ik Martine Tanghe nog tegen gekomen. Ze knikte me toe toen ik haar kruiste. Ik betaalde gepast en knikte met afgewende blik even terug. Er hingen wat spinnenwebben in de zijdelingse gewelven die als regenbogen de ruimte, waar ik me thans in bevond, afbakende. Ik nam nog ’n glas en vroeg me af wanneer bladgroenkorrels er uiteindelijk de brui aan geven. Garantiebewijzen, nog zo’n fenomeen. Er kwam een corpulent heerschap voor me staan. Het leek alsof hij een gesprek aanknopen wou of me op z’n minst wat vragen wou. Zwijgen was echter wat hij deed, die gekke man. Hem monsterend viel mijn oog op zijn open gulp. Uiteindelijk vroeg hij me met een diepe stentorstem wat ik het aantrekkelijkste aan hem vond: zijn pluizige baard of zijn open gulp? Beschaamd vroeg ik wat bedenktijd en liet me ondertussen het glas nogmaals bijvullen. De ober, die zich van die taak kweet, kwam aangereden in een vorkheftruck. Het witte hemd met zwart strikje manoeuvreerde achteruit en trok geruisloos op richting bar. Schuurpapier zou hier deze keer geen uitkomst bieden, besefte ik terwijl ik de eerste zweetdruppels aan mijn voorhoofd voelde bengelen. Ik excuseerde me en mankte naar het toilet. Terwijl ik de vrije loop gaf aan menig natuurlijke behoefte, zocht ik in ’n lijvig woordenboek wat willekeurige woorden op. In de spiegel turend, waste ik de handen en vroeg me af sinds wanneer ik mankte. Zeven minuten? Dagen? Maanden? Ik kon geen plausibel antwoord bedenken en staakte bij gevolg het reflecteren daaromtrent. De in tussentijd aangekomen politieagenten konden daar alles behalve om lachen. Niet alleen bleken mijn reflectoren niet conform het huisreglement, bovendien was de bandenspanning van mijn rolstoel onvoldoende. De enkele zweetdruppels werden een zee aan zweet terwijl ik de agent in kwestie beschaamd aankeek. De knuppel wendde echter de blik af, want net op dat moment begon men de wedstrijd van die avond op groot scherm uit te zenden. Een kat had het toestel met een kleine grijze afstandsbediening in werking gesteld. Ik zuchtte diep, haalde de veiligheidsgordel van mijn rolstoel wat harder aan en beloofde nooit nog kittens in transparante plastic zakjes te verdrinken.

Hoe die zelfde avond nog Peter Pan in mijn slaapkamer belandde, verhaal ik ’n andere keer maar weer.

Poseur naast Mathilde

januari 26, 2007 - Leave a Response

à sortie
met mijn omgeving
heb ik geen oor voor het geweek-
laag
en het geroep om vergeving
al verloopt de ont-
binding
nog zo gestaag

Vermoedelijk hing hij er al dagen, maar het lichaam werd pas weggehaald nadat kraaien zijn lever uitgepikt hadden en de in het omliggende wonende boeren last begonnen te krijgen van de ontbindingslucht. Een weeë zwavelgeur waaide passanten vanop geruime afstand reeds tegemoet vanaf de heuvel alwaar de communale galg opgesteld stond. Wie er onwetend voorbij kwam, werd zich, bij het gewaar worden van de lucht, zo zelfbewust van de eigen ingewanden en darmflora, dat het leek alsof het buikvlies, dat in de meest gunstige omstandigheden het spijsverteringskanaal binnenhoudt, langzaam zou openscheuren en de volledige darmhuishouding onder ’s mens ogen het eigen lichaam zou verlaten, zoals dat gebeurt bij het oude varken dat op maandag gekeeld wordt en in één lange, vliegensvlugge haal van hals tot reet met het goed gewette slagersmes overlangs opengereten wordt.

Wie van de stank echter geen last scheen te hebben en de aanblik van de terechtgestelde zelfs een kalmerend relaxerend effect toekende – en zich dus geenszins kon inleven in de heisa en poeha die menigeen rond het fenomeen (en meer specifiek het olfactorische facet daarvan) maakte – was J.

J. was – hoewel hij er zelf geen deel van uitmaakte, of althans geen deel van wenste uit te maken – goed gekend bij de leden van de plaatstelijke gemeenschap, evenals zijn immer afwijkende opvattingen over de meest voor de hand liggende ende algemeen aanvaarde fenomenen. Er viel dan ook moeilijk om hem heen te kijken wanneer hij op de lokale markt zijn inkopen deed of men hem op zijn shetlandpony kruiste op deze of gene stoffige wegel. Immer herkenbaar en immer in dezelfde outfit, liep J. gekleed in een grijze corduroy broek uit ruwe stof vervaardigd. Deze was ietwat te ruim, edoch werd fatsoenlijk op zijn plaats gehouden door een paar bretellen zoals niemand, behalve J., ze in die tijd nog droeg. Die broek, alsof hij er maar één had – wat zeer waarschijnlijk leek – was steeds tot net onder het middenrif opgetrokken. Voorts bedekte een rood wollen truitje met dikke ivoren knopen zijn grauwe hemdje met wijd uitwaaierende kraag. De tijd had in het gezicht van de ouwelijke J. een maanlandschap geërodeerd, waarbij zijn drietal resterende tanden in zijn eeuwige grijns, die zijn vlezige tong steeds een weinig zichtbaar liet, uitstekend tot hun recht kwamen. Als een zonnevlek prijkte er een zwarte driehoekige ooglap bovenop zijn linkeroog. Een ongeluk met een elektrische tandenborstel, wisten sommigen, gespeelde aanstellerij, meenden anderen. Een helrode hoofddoek met grillige bleekgroene motiefjes en een enorme gouden oorring in het rechteroor maakten het plaatje compleet. Neen, J. stond niet op de eerste rij toen de sCHEPPER het modebewustzijn uitdeelde. Ten bewijze daarvan hoefde men, tot slot, maar naar zijn grijze, pluizige sloffen te kijken. Met zijn sloffen slofte J. dagelijks naar het centrum en terug naar zijn domein. Het woord sloffen leek wel voor J. uitgevonden, zo bleek.

Zoals J. waren er in het dorp geen twee. En ook niet in de omliggende dorpen, zo wisten agricultariërs die op gezette tijdstippen hun overschotten aan graan en niet meer zó verse groenten in naburige gemeenschappen gingen verkopen, te vertellen, wanneer zij daar althans naar gevraagd werden. Want veel werd er – behalve het hoogst noodzakelijke – niet gesproken in dit kleine desolate dorp.

Op zon- en andere feestdagen kon men J. reeds van ver onderscheiden van het groene loof en lommer daar hij op deze dagen gewoonlijk uit wandelen ging met een viertal ballonnen van diverse kleuren die hij aan sierlijke witte linten in de hand placht te houden. Dichterbij gekomen kon je eveneens een assortiment vrolijk krullende slingers in paars- en blauwtinten om zijn nek ontwaren.

Op een dag – een dag als een ander zou men kunnen schrijven, edoch… – daalde J. de heuvel schuin af op weg naar de wekelijkse marktdag. De ranzige geur van gebraden kippen waaide hem reeds met de zwoele zuidwester tegemoet. Een eventuele ooggetuige had nog net J.’s pretoogjes in de eerste zomerzon kunnen ontwaren, waarop plotsklaps, als in een kaleidoskoopje, de shetland door de knieën ging en begon te tollen. Ze leken wel elastische poppen die de laatste vijftig meter van de best wel steile helling naar beneden dartelden. Doch even dartel als het duo scheen te glijden, des te dood waren onze twee vrienden toen enkele dorpelingen te hulp snelden, doch alzo de feiten achterna liepen. De kop van de pony lag onder zijn eigen lijf, vanwaaronder het bovenlijf van J. vandaan kwam, de nek zich in een uiterst ongemakkelijke positie bevindend. J. was dood. Men liet hem liggen. De pony was dood. Men at hem op. En dat was dan weer dat.

Het was reeds enkele dagen daarna – de overmoedige zomerzon verdreven door al even zomerse neerslag – dat de eerste aasvogels zich waagden aan het door de regen opgezwollen, blauwige, gistende lijk van J. Opnieuw kwam de markt, opnieuw hingen de kippen plichtsbewust aan hun spitten, maar geen van de passanten scheen zich te storen aan het heerlijk meurende en naar willekeur opengepikte lijk van J.

schläft nicht
schlummert nicht

snippers

januari 25, 2007 - Leave a Response

schedelboring

net voor mijn laatste schedelboring dacht ik er net aan dat iemand me nog wat moest maar ik wist niet meer wie of wat laat staan wanneer of waarvoor waarom terwijl ze het me nog net gezegd hadden.

Goed, ik deed dus mee aan de wiskunde-olympiade. En de avond daarvoor had ik een halfuur lang met schuurpapier mijn voorhoofd glad gemaakt. Zo glad, dat er hier en daar al stukjes schedel naar buiten piepten. Stukjes schedel, die in het prille winterzonnetje een tegenligger zo konden verblinden. Men mocht er eenvoudigweg niet aan denken wat daar de gevolgen van hadden kunnen zijn. Ziek dat ik was, kort daarna. Mijn gewrichten voelden zo lam en stijf aan, en overal een wee gevoel van vage pijn. Of ook net niet. Het was een beetje zo’n zoeken naar, naar, eh.

In elk geval, het ontbijt bestond die dag uit een pijnstiller. Dat kreeg een vervolgje met twee Duvels in het stationsbuffet. En dat ik daar niet de enige was. Ha neen gij. En dan naar Marnix en Patrick! Dat ik moest betalen. Tien euro. Omdat ik daar een jaar niet geweest was. En of ik nog studeerde. Ha ja. En of hij mijn punten wou weten. Ha neen. Ha, ik zat dus met een halfvolle pot choco aan het standbeeld van Artevelde. Of was het Albert I. Ik wil er vanaf zijn. Passeert mijn grootvader daar wel niet! Die zich natuurlijk afvragen waarom ik daar zit, met een halfvolle pot choco. En dat hij zich dat niet in stilte afvroeg, ha nee, zo zijn wij niet. Het volle pond/pont/pondt kreeg ik. Goed, ik wou best nog van hem aannemen dat een pot choco geen rechtspersoon is. Maar verder wou ik toch niet met hem meegaan, te weten dat de arme oude man al vijf maanden zijn rijbewijs ingediend heeft. En dat zijn schoorsteen al vijf jaar niet meer uitgekuist geweest geworden is. Vijf! Ja.

Next thing you know, zit ik op de fiets. Waar gaat dat tochtje heen? He, richting Venetië! Venetië? Ja, Venetië, het Brugge van het, dinges. Daar fiets je toch ook niet op ’n dagje heen. Wel, dat had je gedacht. Het is hoogstens driekwartier peddelen. Een halfuurtje als de wind wat meezit. En hop, daar blinken reeds de wateren en stoomt de vaporetto om mij en m’n fiets naar de zinkende stad over te zetten. Kom nu. En gisterennacht nog! Het hield niet op! Een goed halfuur flink doorrijden met de wagen, en we stonden in Hongarije. Waar precies, dat herinner ik me niet meer, maar op ’n halfuur, komaan nu! Goh. En er was ’n zwembad en daar was wat mis mee.

Oog-, keel- en neusklanken. Dat dat niet gemakkelijk is. Veel op oefenen, is de boodschap. En dan nog! Ge hebt zo van die Tibetaanse monniken of van die boeddhistische, of beide! en die kunnen dat zo heel erg goed. Maar dat mag ook wel, als ge u daar ganse dagen kunt op toe leggen, om te oefenen. Ganse dagen, dus, dan mag je het ook wel goed kunnen. Anders ware het maar triestig. Allez ja, dat vind ik dan. Heb ik nu ’n mening? En he, ge moest daar in feite twintig euro betalen. Maar, euh, ze vroegen mij niets. Dan betaal ik toch niet, toch? Tot slot (he, signaalwoorden!): Franco Saint De Bakker, maar goed dat dat is, maar goed. Ik kan het maar zeggen, he. N’est-ce pas?

Élégie pour Michel

januari 25, 2007 - Leave a Response

Wijselijk irritant
irrigeer ik mezelf
met meest vruchtbaar slib
de sjadoef als vagant
des waterens wip

terwijl cat aract
na cat-a-ract
mijn zicht
gezicht point of view
almaar slabakt

tanret

 

Tekening van de hand van Hamirubi De Reu.

Typologie van den academischen ladder

januari 25, 2007 - Eén reactie

Leidraad voor ambiesjeuzen

  • drs. Pitta
  • dr. Pitta
  • prof. dr. Pitta
  • prof. em. Pitta
  • I.M. Pitta

dr. pitta

ik hep mezelf

januari 25, 2007 - Leave a Response

ik heb mezelf in slaap gewiegd
met trommels en trompetten
mezelf steeds weer wat voorgeliegd
wat kon mij ook beletten

de straat, de regen, bijzettafels
ze spookten door haar hoofd
bakpapier en suikerwafels
had ‘k haar maar niets beloofd

Oh Lethes!

januari 25, 2007 - Leave a Response

De dag dat Siriswald zichzelf in brand stak, was beslist geen dag als alle andere. Vooreerst was er het voorval op de bus, waarbij hij zijn plaats afstond aan een aftands dametje van derde leeftijd, dat dankbaar ging zitten, maar bij het volgende kruispunt voor Siriswalds ogen doorboord werd door de carrosserie- en glasconstructie van de lijnbus toen een op hol geslagen betonmolen de flank dezer bus gezwind ramde. Daarnaast was er nog het niet te negeren feit dat Siriswald wat later, na een noodzakelijk bezoek aan de plaatselijke slager, bij het buitenkomen een lieveheersbeestje onder z’n schoen vermorzelde en dit terwijl hij oprecht van deze beestjes hield. Dit, en tal van andere voorvallen, waarvan het beschrijven ons al te ver zou leiden, deden Siriswald uiteindelijk inzien dat hij niet voor dit leven geschikt was.

Maar wie is die man die men Siriswald pleegt te noemen?

Deze schijnbaar kwieke en vitalistische veertiger betrok altijd al een flatje in het centrum van de oude stad. Daar verbleef hij ook het grootste deel van de tijd, en tijd had hij genoeg, werkloos zijnde. Menselijk contact had Siriswald allerminst nodig. Op maandag zou hij bakker en slager bezoeken om inkopen te doen voor de rest van de week. Veel meer dan een schuchtere oogopslag kregen diegenen die toevalligerwijs zijn pad kruisten niet te zien. Spreken deed hij al helemaal niet. Sommigen dachten dat hij het niet kon, anderen dachten dat hij gestoord was, de meesten daarentegen wisten niet eens van het bestaan van Siriswald af. Zijn buren – links, rechts, boven, onder – kregen hem nooit te zien en zijn huisbazin vroeg zich herhaaldelijk af of haar stilste huurder er nog wel verbleef. Nochtans was de huur reeds maanden op voorhand betaald. Maar zoals ik twee zinnen terug nog maar kwam te schrijven: de meeste stedelingen wisten van het bestaan Siriswalds nix af. En daar voelde onze protagonist zich ook goed bij. Hij wenste enkel rust en planmatige orde. Mensen had Siriswald dus al evenmin nodig. In zijn flat van zes op zeven had de man alles bij handen. Vooral dan muziek. En keukengerei, van inox. Waar hij zich echter voornamelijk mee bezig hield, was slapen, want dat waren de enige momenten dat hij even uit de wereld kon verdwijnen. Slapen dus. Dat was voor hem zijn enige uitweg

Voorheen frequenteerde hij op vrijdag het parkje enkele straten van zijn woonst vandaan gelegen. De weinige bomen en schrale bloemen brachten hem een zekere rust (Manfred noemde het lethargie) die hem in staat stelde nog een week in vrede met zichzelf te leven. Maar sinds kort kon hij zich ook hier niet meer vertonen. Na schooltijd hing de plaatselijke jeugd er immers rond en die zagen in de aartslelijke Siriswald een ideale katalysator om hun opgekropte frustraties van een ganse week lessen af te reageren. Siriswald had het op hun schuine opmerkingen niet zo begrepen en toen de plagerijen zich ook fysiek begonnen te uiten – ach, u kent de jeugd – besloot hij dat het beter ware zich er niet meer te vertonen. Hij kon natuurlijk makkelijk op een ander tijdstip komen, waarop zijn belagers in de schoolbanken zaten. Iets waar hij, werkloos zijnde, alle mogelijkheid toe had, maar zo makkelijk zat het leven voor Siriswald niet in elkaar.

De man die zijn hoofd vergat

januari 25, 2007 - Leave a Response

De glazen zijn beduimeld en de randen vet. Slappe wieken van kaarsen koorddansen hun laatste adem in een restje was. Het wordt vierhandig kouder en niets voelt als flanel. Nacht en ontij. Tijdig verzocht, op tijd gezien en dies meer. Dat alles terwijl zitmeubels de straten op vliegen. Terecht. Of niet soms? Een baardige man met glazige oogjes diep in de schedel getrokken denkt er anders over. Zijn clownstruitje spant wat en zijn borstjes wippen op en neer hoe meer hij zich druk maakt. Druk in het feit dat, ondanks alle plichtplegingen, altijd alles uitloopt. Uitloopt.

Hoofd zonder man

Hangt je sjaal al klaar? Check. De jenever in vaalbruin pakpapier geborgen? Check. Gietijzeren mandjes met kolen die dra zullen smeulen wat enkel het gezelligheidsgehalte dezer avond zal doen toenemen? Check.Toeters en bellen? Check. Ons aller waardigheid? Crap.